Ik klemde het stuur vast alsof het het enige vaste voorwerp in mijn leven was. De avond viel, de straatlantaarns gingen aan. Ik zag ze nauwelijks.
Op de kruising van Broad en 7th Street reed ik door rood. En toen nog een keer.
Mijn gedachten raasden harder dan de motor.
Was er iemand in huis? Was Emma gewond? Hield Lila zich schuil?
Ze doet alsof. Doet ze alsof voor Lila? Of voor iemand anders?
Toen ik hun oprit opreed, voelde ik dat mijn hart op springen stond.
Het huis was donker. Zelfs het veranda-licht, dat normaal altijd aanstond, was uit.
Ik parkeerde scheef en rende naar de deur. Die was niet op slot.
‘Emma?’
Stilte.
“Lila?”
Niets.
Binnen voelde de lucht vreemd aan — koud en onheilspellend stil. Lila’s deken lag over de bank gedrapeerd alsof ze er net nog was geweest.
Toen hoorde ik het: zacht, gestaag stromend water.
De badkamer.
De deur was dicht. Mijn telefoon trilde – eindelijk.
Spam.
Ik mompelde een vloek en kwam dichterbij. Het water bleef stromen. Mijn hart bonkte in mijn keel.
Ik stak mijn hand op om te kloppen—
Een gil. Hoog. Scherp. De gil van een klein meisje.