Vervolgens leunde hij met één arm op de toonbank, dichtbij genoeg om gehoord te worden, maar niet zo dichtbij dat hij haar verdrong.
‘Leg dat maar weg,’ zei hij zachtjes. ‘Betaal me maar als je de baas bent.’
De woorden kwamen er eenvoudig en bijna nonchalant uit, maar de sfeer in de ruimte leek er desondanks door te verscherpen.
Ze staarde hem aan.
Hij kon haar als het ware zien controleren of de zin niet helemaal klopte.
Spot? Nee.
Medelijden? Nee.
Een toneelstukje voor de zaal? Absoluut niet.
Hij bedoelde het zoals hij het zei.
Als je de baas bent.
Niet als het beter gaat.
Niet als het geluk je weer toelacht.
Niet als iemand je een kans geeft.
Wanneer.