Op een middag zat ik met Miles in het park. Hij was inmiddels twee jaar oud en waggelde rond in het gras, achter een vlinder aan.
Hij viel.
Hij keek me aan, zijn lippen trillend, afwachtend hoe ik zou reageren. Zou ik schreeuwen? Zou ik hem bespotten?
Ik liep ernaartoe. Ik knielde neer. Ik tilde hem op en veegde het vuil van zijn knieën.
‘Het is oké,’ zei ik, terwijl ik hem omarmde. ‘Je bent gewoon gevallen. We staan wel weer op.’
Hij giechelde en rende weer weg.
Ik ging weer op de bank zitten en haalde diep adem. De lucht rook naar de lente. Het rook naar vrijheid.
Ik dacht aan Daniël, die in een cel zat en iedereen de schuld gaf behalve zichzelf. Ik dacht aan Agnes, verbitterd en eenzaam.
En toen keek ik naar mijn zoon, die in het zonlicht rende.
Ze probeerden me te breken om een kooi voor hem te bouwen. Maar ik brak de kooi en bouwde een wereld.
Ik pakte mijn telefoon. Ik keek niet naar boze berichtjes. Ik checkte mijn e-mail. Een uitgever wilde mijn blog in een boek omzetten.
Ik glimlachte.
Morgenochtend om 5 uur ben ik wakker. Maar niet omdat ik ontbijt moet maken voor monsters.
Ik blijf wakker omdat mijn zoon misschien wat water nodig heeft. Of gewoon omdat ik de zonsopgang wil zien.
En die keuzevrijheid is de grootste luxe van allemaal.