Ik stond als aan de grond genageld, in een poging te bevatten wat ik had gehoord. De stem was zo helder geweest, zo onmiskenbaar die van mijn zoon. Toen zag ik iets op zijn nachtkastje: een kleine ingelijste foto van hem en mij, genomen toen hij klein was. Het licht uit de gang weerkaatste zachtjes op het glas.
En op dat moment begreep ik het.
Misschien was het niet mijn zoon die ik hoorde, maar een herinnering — een gefluister van de tijd die voorbijging, een herinnering aan hoe kostbaar elk vluchtig moment werkelijk is.
Ik zat op de rand van zijn bed, hield de foto vast en fluisterde in de stille kamer: « Ik hou van je. Ik zal er altijd voor je zijn. »