Leo, de vrolijke, zevenjarige zoon van Elena, klom met al zijn energie op het grote, houten klimrek in de nabijgelegen buurtspeeltuin. Hij was werkelijk dol op dat klimrek; het was tijdens de lange, lichte middagen zijn absolute favoriete bezigheid. Het was een prachtige, warme dag met een strakblauwe lucht, er speelden talloze andere kinderen in de zandbak en op de schommels, en het onbezorgde, aanstekelijke gelach van Leo galmde over het grasveld. Alles voelde perfect en veilig. Maar toen, in de fractie van een enkele, meedogenloze seconde, veranderde alles voorgoed en viel de veilige wereld van Elena in duizend onherstelbare stukken uiteen.
Er klonk vooraf geen paniekerige sikkel of schreeuw. Er was geen luid, waarschuwend geraas te horen. Er klonk alleen een zware, doffe klap op de zachte ondergrond, en daar lag een klein jongetje dat zijn ogen niet meer opende. Hij was op de een of andere onverklaarbare manier gevallen. Binnen enkele minuten waren de hulpdiensten ter plaatse en ze renden met hem naar de spoedeisende hulp van het ziekenhuis.
In de kille, helder verlichte ziekenhuiskamers deden de artsen onvermoeibaar alles wat in hun menselijke en medische macht lag om zijn jonge leven te redden. Leo werd aangesloten op ingewikkelde, beademende machines, terwijl Elena op de gang stond, hevig trillend over haar hele lichaam, en wanhopig bleef bidden tot alles wat heilig was dat haar kleine zoon in leven zou mogen blijven. De artsen en verpleegkundigen kwamen regelmatig naar haar toe en spraken buitengewoon voorzichtig, met een tastbaar en diep medeleven, maar toch voelde het voor haar alsof hun woorden van kilometers ver weg kwamen. Het was alsof Elena van diep onder water naar de ijzingwekkende gebeurtenissen boven de oppervlakte keek, afgesloten van de realiteit.
Toen het onvermijdelijke moment daar was en de artsen de levensondersteunende machines definitief moesten uitschakelen, werd de zware stilte in de ziekenhuiskamer werkelijk ondraaglijk. In die ene, hartverscheurende minuut begreep Elena met een verpletterende helderheid wat de onomkeerbare betekenis was van de woorden « nooit meer ». Nooit meer zouden de kleine, modderige schoenen van Leo slordig bij de voordeur blijven staan wachten. Nooit meer zou hij haar met grote ogen smeken om « alstublieft nog één verhaaltje voor het slapengaan ». Nooit meer zou zijn pure, onschuldige nevel van gelach de kamers van hun stille huis vullen.