Misschien zou de man bleek worden, stotteren, in paniek raken. Misschien zou hij ook zijn eigen geheimen hebben, zijn eigen papieren verborgen in lades. En misschien, heel misschien, zou iemand hem een keurig klein envelopje over een wit tafelkleed heen overhandigen.
Die gedachte deed me glimlachen.
Ik had me gerealiseerd dat de beste verhalen niet altijd die waren waarin iedereen nog lang en gelukkig leefde. Soms waren het juist de verhalen waarin gerechtigheid arriveerde in een keurig witte envelop, met perfecte timing en een onwrikbare glimlach.
En mocht ik ooit tegenover iemand nieuw komen te zitten – iemand wiens glimlach niet die metaalachtige nasmaak van leugens had – dan zou ik hem dit verhaal vertellen. Niet zozeer als waarschuwing, maar als bewijs.
Het bewijs dat ik, toen het leven dat ik dacht te willen instortte, niet in het puin bleef liggen. Ik ben eruit geklommen. Ik heb mezelf afgestoft. Ik ben weggelopen.
En ik heb mezelf daarna nooit meer onderschat.
EINDE.