Na het overlijden van mijn man voelde het huis dat we samen hadden opgebouwd niet langer als een veilige haven.
De kamers waren hetzelfde, maar alles klonk hol, alsof de muren zelf hun adem inhielden. Maandenlang, tot aan zijn overlijden, hadden we onze dagen doorgebracht in ziekenhuisgangen, met laboratoriumuitslagen en voorzichtig optimisme. Toen dat allemaal voorbij was, voelde de stilte die volgde zwaarder dan de angst waarmee we daarvoor hadden geleefd. Naast het verdriet kwam een golf van praktische zorgen – openstaande medische kosten, hypotheekbetalingen en de ontmoedigende realiteit dat ik alles alleen moest regelen. Mijn negentienjarige stiefzoon, Leo, woonde nog steeds bij me. We rouwden allebei, maar we worstelden ook op verschillende manieren, in een poging ons een toekomst voor te stellen waar geen van ons beiden zich op had voorbereid.