De vrouw aan de overkant van het gangpad begon te applaudisseren.
De busdeuren gingen sissend open. Ik liep langs Karl en vervolgde mijn weg door het gangpad.
‘Megan, alsjeblieft…’ riep hij me na. ‘Doe dit niet. Vernietig onze kans op geluk niet.’
Ik stapte uit de bus.
Aan de overkant van de straat stond een politiebureau. Even stond ik daar te trillen, mijn trouwring voelde ineens zwaar aan mijn hand.
Toen ben ik gaan lopen.
Ik keek niet achterom. Ik ging naar binnen, liep naar de balie en pakte mijn telefoon, waarop de opname van Karls bekentenis te vinden was.
Terwijl ik daar stond, klaar om de misdaden van mijn man aan te geven, begreep ik plotseling, op brute wijze, één ding: Karl was toch echt op onze trouwdag overleden.
Niet zijn lichaam. Niet zijn hart.
Maar de man die ik dacht te kennen, was verdwenen.