Hij reikte me een zwaar, in leer gebonden schetsboek aan. Op de eerste pagina was slechts één enkele alinea geschreven, in zijn strakke, technische handschrift:
“Op die donderdagmiddag dat je plotseling en onaangekondigd in mijn deuropening stond, stond er een volledig gepakte reistas verborgen onder mijn bed. Ik stond op het punt om alles op te geven, van de campus weg te lopen en spoorloos te verdwijnen, puur omdat ik ervan overtuigd was dat ik tekortschoot in alles wat ik deed. Je bracht me geen zware preken of kant-en-klare oplossingen; je bracht de stilte die ik nodig had om mezelf weer te horen denken. Jouw komst redde me letterlijk van de afgrond. Deze ruimte heb ik fysiek gebouwd als mijn ultieme meesterproef, maar het hart ervan is en blijft altijd van jou.”
Ik keek op door een sluier van tranen heen, en hij hing de zware koperen sleutel van het pand heel zachtjes om mijn nek. Die ene, intuïtieve vlucht had niet zomaar een moeilijke middag overbrugd, maar had zonder dat ik het wist het onwankelbare fundament gelegd voor zijn meesterwerk en zijn hele toekomst.