We hebben een videoconferentie ingepland.
Een week later bevond ik me op een scherm met drie mensen die mijn hele jeugd hadden gevormd.
Mijn ouders zaten aan de eettafel in Portland. Mijn zus zat naast hen, dezelfde kroonluchter hing boven hen die bij elke kerst, elke verjaardag en elke grote ruzie die we ooit hadden gehad, had gehangen.
Aan de andere kant van het scherm zaten de makelaar, haar leidinggevende en de belastingadvocaat die mijn ouders hadden ingehuurd.
Ik zat in een eenvoudige vergaderruimte op mijn kantoor, met een glazen wand achter me. Mijn laptop stond iets verder naar achteren dan normaal, zodat ik niet te dicht in mijn eigen spiegelbeeld hoefde te kijken.
De agent begon met standaardvragen.
Hoe lang was ik al aandeelhouder? Wanneer heb ik het kassasysteem geïmplementeerd? Welke toegang had ik tot de gegevens?
Ik antwoordde zorgvuldig maar eerlijk. Ik legde uit dat de kassa’s in elke winkel elke transactie in realtime naar een centrale database sturen, dat elke verkoop wordt geregistreerd met een tijdstempel, betaalmethode en bedrag, en dat het systeem automatisch dagelijkse rapporten genereert waarin de verkopen met de stortingen worden vergeleken.
Toen de advocaat probeerde in te grijpen en suggereerde dat de synchronisatie soms mislukte of dat de logbestanden onvolledig waren, vroeg ik toestemming om mijn scherm te delen en liet ik een geanonimiseerde versie van het dashboard zien met demogegevens om te illustreren hoe het werkte.
Ik liet ze het transactieoverzicht zien, de afstemmingsweergave en de foutenlogboeken die eventuele mislukte synchronisaties zouden signaleren.
De agent keek zwijgend toe en maakte aantekeningen.
Mijn ouders staarden me aan alsof ze het voor het eerst zagen.