Ik hield geen toespraak. Dat was niet nodig. Ik knikte slechts één keer naar Ryan, een stille erkenning van de ingeloste schuld. Daarna knikte ik naar de anderen die in de houding stonden.
Ik pakte mijn hoed – mijn galahoed – van de stoel naast me. Ik zette hem onder mijn arm. En toen liep ik naar de uitgang.
Mijn stappen waren afgemeten, zonder haast. Ik liep langs de familietafel zonder naar links of rechts te kijken. Ik zag Laurens vernederde gezicht niet. Ik zag niet hoe mijn moeder haar hand uitstak, halverwege bleef steken, en haar mond opende om een naam uit te spreken die ze al tientallen jaren niet meer met respect had uitgesproken.
Ik voelde de koele avondlucht op mijn huid toen ik naar buiten stapte, het grind kraakte zachtjes onder mijn hielen.
Achter me bleef het nog even stil in de tent. Toen klonk er een verward gemurmel, alsof een dam brak. Maar ik liep al richting de parkeerplaats waar mijn huurauto stond te wachten.
Hoofdstuk 5: Vaste grond