De vraag die te diep sneed
Later, toen Jonathan aan de bar stond, hoorde hij de naam van Evelyn luid uitgesproken door een ouder familielid.
“Evelyn Carter? En de vader van de meisjes?”
Evelyns glimlach keerde terug, maar was broos.
‘Hij is een vriend,’ zei ze, het woord zwaar op haar schouders drukkend.
‘Nou ja, het is moeilijk om er alleen voor te staan,’ vervolgde de vrouw onverschillig.
Jonathan kwam terug en sloeg een beschermende arm om Evelyns stoel.
‘Goedenavond,’ zei hij kalm. ‘Ik ben Jonathan.’
De vrouw trok zich mompelend terug.
‘Dat had je niet hoeven doen,’ fluisterde Evelyn.
‘Ja, dat heb ik gedaan,’ antwoordde hij. ‘Niemand verdient dat.’

De waarheid in de koffiezaak
Enkele dagen later ontmoetten ze elkaar opnieuw in de buurt van het ziekenhuis. Het gesprek verliep vlot, totdat Evelyn stil werd.
‘Jonathan,’ zei ze, ‘je vrouw… Mara. Ik was erbij.’
De wereld kantelde.
Ze legde zachtjes uit, met trillende stem, hoe ze die dienst had gewerkt, hoe ze hem in de gang had zien smeken, en hoe ze bang was geweest voor zijn woede als hij haar ooit zou herkennen.
Jonathan stapte naar buiten, buiten adem, totdat hij een envelop op zijn voorruit vond, met zijn naam erin geschreven in een bekend handschrift.
Binnenin zat een brief die Mara had geschreven voordat ze overleed, waarin ze hem aanspoorde om weer te leven, om ja te zeggen tegen kleine, roekeloze hoop.