Vier jaar lang voelde mijn leven leeg aan. Zonder vaste steun, zonder echte nabijheid, zonder iemand die zijn tijd structureel wilde afstemmen op mijn situatie — behalve één man: Marcus.
Drie keer per week, consequent en zonder excuses, stond hij voor zonsopgang voor mijn deur. Hij bracht me naar het ziekenhuis en bleef wachten tot mijn behandeling voorbij was. Marcus was achtenvijftig, een voormalig militair, weduwnaar, en werkte ’s nachts als schoonmaker in hetzelfde ziekenhuis. Hij draaide lange diensten zodat hij overdag beschikbaar kon zijn. Niet één keer liet hij het afweten. Niet bij slecht weer. Niet tijdens feestdagen. Niet wanneer vermoeidheid duidelijk zichtbaar was.
Hij dronk zijn koffie zwart, hield van historische boeken en zat rustig naast me terwijl de machines hun werk deden. Zijn aanwezigheid was stil, maar constant.
Mijn eigen familie was in die periode steeds minder aanwezig. Contact werd onregelmatig, bezoeken zeldzaam. Het leven ging voor hen verder, terwijl het mijne vooral bestond uit afspraken, wachttijden en stilte.