De stilte die volgde, was luider dan welk argument dan ook. Ik liet zijn kamer precies zoals hij hem had achtergelaten: de posters aan de muur, de versleten honkbalhandschoen op de plank, de deken opgevouwen aan het voeteneinde van het bed.
Ik stofte de kamer elke week af. In de lente zette ik de ramen open zodat het niet muf zou ruiken. Ik sprak tot hem in mijn gebeden alsof hij me op de een of andere manier kon horen.
Jaren gingen voorbij.
Verjaardagen kwamen en gingen. Ik bakte desondanks elk jaar een kleine taart.
Op zijn achttiende verjaardag zei ik tegen mezelf dat ik geen hoop moest koesteren.
Hoop was te gevaarlijk geworden.
