De centralisten waren er inmiddels aan gewend. Sommigen rolden met hun ogen als het nummer op het scherm verscheen. Agenten mopperden binnensmonds over verspilde middelen. Hetzelfde adres, dezelfde stem, hetzelfde vage verzoek.
Uiteindelijk begonnen ze me te sturen.
‘Zoek het zelf maar uit,’ zeiden ze, half grappend, half geïrriteerd, alsof eenzaamheid op zich al een soort belediging was.
Die avond stapte ik dus in mijn patrouillewagen en reed door de stille straten, terwijl ik alvast de toespraak instuderde die ik wilde houden. Misbruik van hulpdiensten. Mogelijk boetes. Misschien zelfs aanklachten als het zich bleef herhalen. Ik zag er niet naar uit, maar regels waren regels.
Toen ik bij het huis aankwam, was het veranda-licht al aan.
Ik liep de trap op en klopte op de deur – vastberaden, officieel, zo’n klop die duidelijk maakte dat er een politieagent voor de deur stond.
De deur ging vrijwel meteen open.
Het was alsof ze er pal achter had gestaan, te wachten.
Er stond een kleine vrouw, volgens de archieven eenennegentig jaar oud. Ze was gekleed alsof ze gasten verwachtte: een gestreken jurk, een keurig parelsnoer om haar hals en haar zilvergrijze haar zorgvuldig opgestoken.
Ze glimlachte hartelijk toen ze me zag.
‘Oh, fijn,’ zei ze. ‘Je bent er. Thee?’