Maar ik hoopte – vurig, in stilte – dat ergens in zijn twaalfjarige geest de herinnering was blijven hangen: de nacht dat hij aanbelde in de verwachting dat er een dienstmeisje zou komen, en in plaats daarvan zag hoe dat ‘dienstmeisje’ naar buiten liep en het hele huis meenam.
Als hij zich dat herinnerde, zou hij misschien ooit de les leren die zijn moeder nooit heeft geleerd:
Mensen zijn geen rekwisieten.
Huizen zijn geen tronen.
En bedienden komen niet altijd als je aanbelt.
Soms staan ze op, pakken hun sleutels en gaan naar huis.