Ethan Carter hield de hand van zijn vader stevig vast toen ze de statige lobby van het Blackstone Hotel verlieten. Achter hen flitsten de draaideuren goudkleurig, alsof het gebouw zelf luxe ademde – mannen in maatpakken lachten zachtjes, champagneglazen klonken als klokken, de geur van dure parfums hing in de lucht. Voor Ethan voelde het allemaal als een andere wereld. Prachtig, maar koud. Als een speeltje dat je niet mag aanraken.
Marcus Carter liep snel. Hij sprak in zijn oortje, keek op zijn horloge, elke zin klonk als een kalm bevel: de documenten lagen op zijn kantoor, de deal moest voor maandag rond zijn, geld wachtte nooit. Voor de buitenwereld was hij vastberaden, onwrikbaar. Voor Ethan was hij gewoon papa – hoewel hij vanavond afstandelijk aanvoelde, alsof zijn hand er wel was, maar zijn hart nog in de balzaal zat, een onzichtbaar contract ondertekenend.
In Ethans andere hand hield hij een versleten, klein knuffelleeuwtje. Klein, zacht van jarenlang knuffelen, met een oude naad over zijn buik. Het hoorde niet thuis bij marmeren vloeren of flitslichten. Het kwam uit een ander leven – een leven dat rook naar vers brood, waar een zachte stem zong voor het slapengaan. Een stem die Ethan nog steeds kon horen als hij zijn ogen stevig dichtkneep… hoewel het gezichtje dat eraan vastzat weggleed als water door zijn vingers.
Ze sloegen een zijstraat in. Het voelde alsof ze een grens overstaken: minder licht, meer wind, een stilte gevuld met plassen en donkere borden. Ethan vertraagde zonder het zelf te beseffen. Iets trok aan zijn borst – een vreemd gevoel, alsof het hart iets herkent voordat het verstand het beseft.
En toen hoorde hij het.
“Jij bent mijn zonnetje, mijn enige zonnetje…”
Het was niet luid. Slechts een flinterdun geluid, bijna opgeslokt door de wind, maar perfect getimed, een gefluister dat de lucht leek te strelen. Ethan stopte.
Een paar stappen verderop, naast een gesloten winkelpand, zat een vrouw gebogen over een oude kinderwagen. Haar blonde haar was nonchalant vastgebonden, met losse plukjes die aan haar wang plakten. Ze droeg een te grote jas met gerafelde mouwen. Haar handen, bleek van de kou, stopten voorzichtig een deken in de kinderwagen.
Ethan knipperde met zijn ogen.
Er was geen baby.
Er lag een oude teddybeer, ingewikkeld alsof hij nog ademde. De vrouw beschermde hem tegen de wind en zong met de tederheid van iemand die iets heiligs bewaakte.
Marcus voelde dat zijn zoon stopte. Hij draaide zich amper een seconde om – en zodra hij de vrouw zag, wuifde hij haar weg als een lastpost. Hij kneep Ethans hand steviger vast.
‘Geen probleem, Ethan. Loop maar door.’
Zijn stem klonk niet wreed, alleen scherp en ongeduldig. In zijn gedachten verscheen het etiket automatisch: jong, onverzorgd, misschien ziek, misschien verslaafd… een « maatschappelijk probleem ». Hij had gul gedoneerd tijdens het gala. De cheque ondertekend. Zijn plicht gedaan. Hij hoefde de armoede niet onder ogen te zien.
Maar Ethan kon zich niet bewegen.