Zijn blik was onveranderd, net zo vast, net zo intens.
Haar pols versnelde terwijl de deuren achter haar dichtgingen. De trein trok weg en droeg hem in de verte. Ze ademde uit, een wankele adem van zowel opluchting als verwarring. Wat was er net gebeurd? Stelde ze zich gevaar voor waar geen enkele bestond? Of had ze zojuist iets vermeden dat ze nooit volledig zou begrijpen?
Ze besloot dat ze zou wachten op de volgende trein. Misschien zou de rit rustiger zijn, misschien zou het onbehagen vervagen, misschien zou ze zichzelf straks uitlachen om haar eigen reactie.
Maar het lot had andere plannen.
Het Telefoongesprek
Enkele minuten later ging haar telefoon. Het was haar man, Mark. Zijn stem, meestal stabiel, was dringend. “Zat je net in de trein?”
“Ja,” antwoordde Claire, opgeschrikt door de intensiteit in zijn toon. “Waarom?”
Mark aarzelde niet. “Ga terug naar het station – nu meteen! Je moet terug!”
Claire bevroor waar ze stond, haar hart bonzend in haar oren. De wereld om haar heen leek even stil te vallen, alsof alles vertraagde. “Waar heb je het over? Waarom zou ik terugkeren?”
Er was een pauze, en toen Mark weer sprak, was zijn stem zachter, maar gevuld met zekerheid. “Je bent nu veilig. Maar iemand hield je in de gaten. Iemand die je heeft gevolgd. Iemand… vertrouwd.”
Claire’s adem stokte. Haar geest herspeelde de blik van de man, zoals het haar op haar plaats had vastgepind. “Hoe weet je dat?” fluisterde ze. “Hoe zou je het kunnen weten?”