Net na zonsondergang verscheen mijn zwangere buurvrouw van twee huizen verderop op onze veranda.
Met de ene hand hield ze zich vast aan de leuning voor evenwicht, de andere rustte beschermend op haar gezwollen buik. Haar gezicht was vlekkerig en rood van het huilen, haar ogen glazig en wazig, alsof ze urenlang doelloos had rondgedwaald. Op het moment dat ik de deur opendeed, barstte ze in tranen uit.
‘Het spijt me zo,’ snikte ze. ‘Ik wist niet waar ik anders heen moest.’

Ik herkende haar meteen. We waren nooit echt close geweest – alleen beleefde glimlachjes in het voorbijgaan, af en toe een knikje. Ze was stil en teruggetrokken. Ik wist nog niet wat er gebeurd was, maar het was duidelijk dat er iets in haar wereld was ingestort.
Ik leidde haar voorzichtig naar de verandabank en sloeg mijn armen om haar heen. Ze beefde in mijn omhelzing, het soort beven dat je krijgt als je je te lang groot hebt gehouden en het uiteindelijk niet meer volhoudt. Ze rook vaag naar regen en zeep.