Hij gaf me een korte glimlach en verdween de gang in.
De volgende ochtend keek ik onder de gootsteen in de keuken. De prullenbak stond leeg, de vuilniszak was nog fris en nieuw. Mijn maag draaide zich om. Hij had daarover niet gelogen.
Maar er klopte iets niet. Dave neuriede terwijl hij koffie zette, kuste me zoals altijd op mijn voorhoofd en vroeg naar mijn plannen voor de dag. Alles leek normaal. Maar vanbinnen bleef er iets knagen.
‘Heb je goed geslapen?’ vroeg ik, terwijl ik naar zijn gezicht keek.
‘Als een baby.’ Hij glimlachte. ‘Jij?’
‘Prima.’ Ik nam een slokje van mijn koffie, maar het smaakte nergens naar. Gewoon bitter. ‘Ik snap nog steeds niet waarom je om drie uur ‘s ochtends opstaat om het vuilnis buiten te zetten.’
Zijn hand bleef even stil op het handvat van zijn mok. Toen haalde hij lachend zijn schouders op. « Hij was vol. Ik dacht dat ik hem er wel uit kon halen voordat de vuilniswagen kwam. Heb ik nou een misdaad begaan?! »

Die nacht lag ik in bed en deed alsof ik Netflix keek op mijn tablet, met het volume zachtjes. Deze keer zou ik hem te pakken krijgen. Maar de vermoeidheid won het, en toen ik bij zonsopgang wakker werd, bleek het vuilnis weer weg te zijn en stond Dave al onder de douche.
‘Je bent vroeg op,’ zei hij, terwijl hij zijn haar afdroogde.
Ik heb niet veel kunnen slapen. En jij?
Ik heb als een blok geslapen. Ik heb het vuilnis buiten gezet en ben daarna niet meer bewogen.