Mijn keel snoerde zich samen. Ik omhelsde hem nog steviger.
‘Ik ook, schatje,’ fluisterde ik.
Die avond, nadat de laatste gast vertrokken was en de borden opgestapeld stonden, vond ik de kleine zilveren sleutelhanger in de vorm van een huisje naast de verjaardagstaart liggen als een schat.
Het was niet zomaar een symbool van een huis.
Het was een symbool van iets wat niemand mijn zoon in een cadeautasje kon meegeven:
Een toekomst die niemand kon afpakken.