‘Ik heb even tijd nodig om na te denken,’ zei ik, terwijl mijn gedachten alle kanten op schoten.
Ik heb er het hele weekend over nagedacht. De verleiding was enorm. Terugkeren als een zegevierende held, op Richards stoel zitten, het bedrijf herstellen dat hij bijna had geruïneerd – dat zou de ultieme wraak zijn. Maar toen dacht ik aan de giftige sfeer, de jarenlange intriges, de angstcultuur die hij had gecreëerd. Ik wilde mijn leven niet besteden aan het opruimen van zijn rotzooi. Ik wilde iets nieuws opbouwen.
Op maandagochtend belde ik Paul en wees zijn aanbod beleefd af. Diezelfde avond werd ik gebeld door Richard zelf. Hij klonk als een ander mens – nederig, gebroken.
‘Ze hebben je mijn baan aangeboden, toch?’ vroeg hij.
‘Ja,’ zei ik.