Ik zat daar, op de rand van de bank, starend naar mijn handen die niet meer helemaal stil wilden blijven. Alsof ze hun eigen wil hadden gekregen.
Ik draaide ze om. Keek naar mijn vingers. Probeerde ze te laten stoppen met trillen.
Het lukte niet.
Die avond heb ik haar eindelijk een berichtje gestuurd.
Ik staarde lang naar het scherm voordat ik iets typte. Elke zin voelde te zwaar, te definitief.
Ik begon, verwijderde, begon opnieuw.
Hoe vertel je iemand dat je bang bent, als je al zo lang hebt gedaan alsof je dat nooit was?
Ik vertelde haar dat ik ziek was.
Ik vertelde haar dat ik bang was.
Ik vertelde haar dat ik haar nodig had.
Het waren simpele woorden. Maar ze kostten me alles.
Het voelde alsof ik iets inleverde wat ik altijd had vastgehouden. Iets dat me beschermde.
Ze belde de volgende dag.
Mijn hart sloeg sneller toen ik haar naam op het scherm zag. Voor een moment voelde het alsof alles nog hersteld kon worden. Alsof dit het begin was van iets nieuws.
Alsof dit misschien de kans was om iets recht te zetten wat al te lang scheef had gestaan.
Haar stem was kalm. Beheerst. Bijna kil.