En toen was hij weg. Hij werd overgeplaatst naar een andere school en vertrok.
Ik heb daarna nooit meer iets van hem gehoord.
Tot nu toe.
‘Hé, schat?’ Robert gaf me een zacht duwtje in mijn arm. ‘Je ziet er bleek uit. Heb je iets nodig?’
Ik schudde mijn hoofd, nog steeds gevangen in de echo van die stem door de intercom. Ik kon het niet van me afschudden. Het bleef zich maar in mijn hoofd afspelen als een lied uit een ander leven.
Ik heb de rest van de vlucht geen woord gezegd. Ik zat met mijn handen gebald in mijn schoot, mijn hart klopte harder dan normaal.
Toen we landden, draaide ik me naar mijn man om.
‘Ga jij maar vast. Ik moet even naar het toilet,’ zei ik.
Hij knikte, te uitgeput om me vragen te stellen. We waren al lang geleden gestopt met elkaar de vraag « waarom » te stellen.
Ik bleef nog even vooraan in het vliegtuig staan, zogenaamd om op mijn telefoon te kijken, terwijl de laatste passagiers naar buiten gingen. Mijn maag draaide zich om bij elke stap die ik richting de cockpit zette.
Wat zou ik zeggen?
Wat als ik het mis had?
En toen ging de deur open.
De piloot stapte uit – lang en beheerst, grijs haar bij zijn slapen, fijne lijntjes rond zijn ogen. Maar die ogen… die waren niet veranderd.
Hij zag me en verstijfde.
‘Margaret?’ vroeg hij, zijn stem nauwelijks hoorbaar.
‘Eli?’ riep ik uit.