“Mevrouw de president?”
Meneer Sterling stond bij de liften te wachten.
‘Het bord ligt boven voor je klaar,’ zei hij.
Ik liep naar de lift. Toen ik langs een schoonmaakkarretje in de gang liep, zag ik een verdwaalde emmer met dweilwater staan.
Ik hield even stil.
Ik reikte ernaar en verstelde de hendel, zodat deze rechtop en stevig stond.
‘Heren,’ zei ik terwijl ik de vergaderzaal binnenliep en mijn aktentas op tafel zette.
Midden op tafel, in een glazen vitrine als een museumstuk, lag de oude, grijze dweilkop die ik die avond had gebruikt.
De bestuursleden keken er verward naar.
‘Even ter herinnering,’ zei ik, terwijl ik aan het hoofd van de tafel ging zitten. ‘Geen rotzooi is te groot om op te ruimen. En niemand is te belangrijk om het werk te doen.’
Ik opende mijn bestand.
‘Nou,’ zei ik. ‘Laten we aan de slag gaan.’