DE GLANZENDE FACADE
Toen mijn vijfentwintigjarige zoon Julian met Tina trouwde, stond ik mezelf toe te geloven in het sprookje. Tina was drieëntwintig, sprak zachtjes en bezat een tedere, stralende vriendelijkheid die Julians rusteloze energie leek te temperen. Ze waren het toonbeeld van jeugdige hoop, verhuisden naar een zonovergoten appartement en vulden het met de kleine, optimistische meubels van een leven dat net begon.
Toen hun zoon geboren werd – een jongetje met heldere ogen en een scherp observatievermogen – dacht ik dat Julian eindelijk zou wennen aan het vaderschap. Ik verwachtte dat de band met een pasgeborene hun toewijding zou bezegelen. Maar in plaats daarvan voelde de lucht in hun huis ijler aan. De sprankeling in Tina’s ogen begon te doven, vervangen door een flikkerende, angstige uitputting die dieper ging dan de gebruikelijke vermoeidheid van een jonge moeder.