Ze openden de deur voorzichtig.
Leo schrok wakker, paniek stond op zijn gezicht te lezen. Hij deinsde achteruit en hief zijn handen op om zichzelf te beschermen.
Nina knielde neer en maakte zich klein.
‘Het is oké,’ fluisterde ze. ‘Ik zal je geen pijn doen.’
Maya stapte naar voren en hield met beide handen een stuk brood omhoog.
“Dit mag je hebben.”
Leo staarde.
Zijn maag knorde luid.
Hij pakte het brood, maar at het niet meteen op. Hij hield het angstig vast.
Vervolgens nam hij een klein hapje.
Nina legde haar hand op de grond vlakbij hem, zonder hem aan te raken.
‘Je bent veilig,’ zei ze.
Leo legde zijn hand naast de hare.
Niet aanraken.
Bijna.
Die nacht riepen ze om hulp.
Er kwamen artsen. Er kwamen maatschappelijk werkers.
Leo was mager, moe en bang.
Maar hij leefde nog.
En langzaam veranderde er iets.
Hij leerde dat deuren niet altijd vuur betekenden.
Harde geluiden betekenen niet altijd gevaar.
Dat eten zou terugkomen.
Weken gingen voorbij.
Genezing kwam in kleine momenten.
Een nachtlampje.
Een zachte stem.
Een snack binnen handbereik.
Op een dag viel zijn blikje en maakte een hard geluid.
Leo verstijfde.
Maar niemand schreeuwde.
Maya pakte het op en gaf het terug.
‘Het is oké,’ zei ze.
Leo fluisterde haar naam.
“M… Maya.”
Iedereen verstijfde.
Genezing hoeft niet luidruchtig te zijn.
Soms is het maar één woord.
Enkele maanden later vroeg de rechter aan Leo waarom hij daar was.
Leo dacht even na.
Toen zei hij zachtjes: « Thuis. »
En dat was genoeg.
Die nacht sliep Leo vredig in zijn nieuwe bed.
Niet op koud hout.
Geen angst voelen.
Maar op een plek waar de toekomst eindelijk echt aanvoelde.