De reden is voornamelijk pragmatisch. De merel is een bijzonder aanpasbare vogel. Wanneer de temperaturen dalen en voedsel schaars wordt in de natuurlijke omgeving, zoekt hij geschiktere habitats op. Tuinen, binnenplaatsen, balkons en stadsparken bieden vaak wat hij zoekt: gevallen fruit, insecten verstopt in de grond, sierbessen of soms vogelvoederhuisjes die door bewoners zijn neergezet.
Stedelijke gebieden bieden ook een belangrijk voordeel: ze zijn iets warmer dan bossen of open velden. Gebouwen, muren en goed onderhouden vegetatie creëren microklimaten die de winters iets minder streng maken.
De behoefte aan beschutting tegen de kou.
Naast voedsel zoekt de merel vooral beschutting. Heggen, schuurtjes, bloempotten, balkons of hoekjes en gaatjes van terrassen vormen ware toevluchtsoorden tegen wind en vorst. Als je een merel regelmatig naar dezelfde plek ziet terugkeren, heeft hij die plek waarschijnlijk als veilig beschouwd.
Naarmate het broedseizoen nadert, kunnen deze gebieden ook als potentiële nestplaatsen worden beschouwd. Een vogel die roerloos bij een vensterbank blijft zitten, is vaak gewoon de omgeving aan het verkennen.