Ik dacht aan hoe hij altijd precies wist waar alles lag. Hoe hij de tuin in ging zonder haast, maar wel met aandacht. Hoe hij luisterde zonder meteen te reageren, alsof hij eerst wilde voelen wat iemand bedoelde.
Zijn liefde was nooit luid. Zijn liefde zat in het feit dat hij je bandenspanning controleerde wanneer je bij hem was geweest. In het feit dat hij altijd een extra stoel aan tafel zette, ook als je had gezegd dat je misschien niet zou komen. In het feit dat hij, wanneer hij afscheid nam, even langer je schouder vasthield dan nodig was.
Om te begrijpen wat hij had willen overbrengen.
Naarmate de dagen verstreken, vond de plant een plekje op mijn bureau, tussen mijn spullen. Ik begon er bijna automatisch voor te zorgen. Ik bekeek de aarde, paste de lichtinval aan en realiseerde me dat de plant vrijwel niets nodig had om te blijven groeien. Alleen een beetje aandacht en veel consistentie.
Het werd een routine, bijna zonder dat ik het doorhad. Elke ochtend, voordat ik mijn laptop opende, keek ik even naar de cactus. Ik draaide de pot een paar graden, zodat hij gelijkmatig licht kreeg. Ik veegde soms stof van de pot, alsof ik daarmee ook iets in mezelf gladstreek.
Het was vreemd hoeveel rust ik vond in dat simpele ritueel. Ik had altijd gedacht dat rouw iets was wat je “verwerkt” door erover te praten of door grote momenten van emotie. Maar hier, in deze stille zorg voor iets kleins, voelde ik hoe verdriet ook een vorm van aandacht kan zijn…