Het bericht is bezorgd. Maar het bleef daar staan. Ongelezen. Mijn moeder laat me nooit ongelezen.
Vijf minuten later stuurde mijn broer een berichtje: « Ik heb mama gebeld, maar ze nam niet op. Heb jij haar gesproken? »
Mijn maag trok samen. « Nee, » antwoordde ik. « Ik bel haar nu. »
Maar toen ik belde, ging haar telefoon één keer over… en werd het stil. Geen voicemail. Geen terugbelactie. Een zwaar gevoel bekroop me – zo’n gevoel dat je al vertelt dat er iets mis is voordat je daar bewijs voor hebt.
Ik greep mijn sleutels en rende naar buiten. Mijn broer zei dat hij al onderweg was.
Mijn moeder woont maar tien minuten bij me vandaan, maar die rit leek eindeloos te duren. Toen ik aankwam, waren de gordijnen dicht. Dat was het eerste alarmsignaal – mijn moeder zet haar ramen altijd vroeg open om « de zon het huis te laten zegenen ».
Ik klopte aan. « Mam? Ik ben het! » Stilte. Ik belde aan. Nog een keer. Nog een keer. Niets.
Er knapte iets in me. Ik greep in mijn tas, haalde het kleine zilveren reservesleuteltje tevoorschijn dat mijn moeder me jaren geleden ‘voor het geval dat’ had gegeven, en met trillende handen opende ik de deur.