Oorsprong en vroege culturele context
Het vijgengebaar is een eeuwenoud gebaar met oorsprong in verschillende delen van Europa, met name in mediterrane en Oost-Europese samenlevingen. De Engelse naam – « the fig » – zou in de 19e eeuw zijn ontstaan, hoewel soortgelijke gebaren al veel langer bestonden.
In Italië staat het gebaar bijvoorbeeld bekend als mano in fica , letterlijk « hand in vijg », en werd het gebruikt als zowel een speelse belediging als een beschermend amulet. In Rusland wordt het kuvyn’ka genoemd en had het historisch gezien de betekenis van het weigeren van onredelijke verzoeken of het bespotten van autoriteit.
In een tijd waarin openlijke confrontatie gevaarlijk kon zijn, bood het vijgengebaar een discreet alternatief. Mensen konden hun ongenoegen uiten zonder hun stem te verheffen, zonder sociale normen te schenden en zonder publieke aandacht te trekken.
In 19e-eeuwse Europese dorpen, waar gemeenschapszin belangrijk was en conflicten snel konden escaleren, werd dit kleine handgebaar een sociaal aanvaardbare manier om onenigheid, frustratie of speels verzet te uiten.
Symboliek voorbij het gebaar
Hoewel het gebaar zelf fysiek is – een vuist met een verborgen duim – droeg het ook meerdere symbolische betekenissen in zich. Antropologen en folkloristen die Europese gebruiken bestuderen, merken op dat de gesloten vuist staat voor verborgen kracht.
Het verbergen van de duim, in het bijzonder, werd soms gezien als een manier om de beschermende kracht van de hand te versterken, zowel in letterlijke als in spirituele zin.
