Ik was zestien toen mijn stiefmoeder mijn jeugd in dozen stopte.
Ik kwam die middag thuis van school en bleef abrupt staan in de woonkamer. De planken waren leeg. De vertrouwde rommel was verdwenen. Elk spoor van de kleine wereld die ik stukje bij stukje had opgebouwd, was weg. Mijn stripboeken waren weg. De schoenendoos vol verjaardagskarten die ik sinds de kleuterschool had bewaard, was verdwenen. Zelfs de oude knuffelbeer die mijn moeder me had gegeven voordat ze stierf – weg.

Ik stond daar als aan de grond genageld, mijn rugzak gleed van mijn schouder en de paniek beklemde mijn borst.
‘Waar zijn mijn spullen?’ vroeg ik.
Ze keek niet eens op van de toonbank. « Ik heb het verkocht. »