Het was altijd een klein, maar fijn gevoel om in hetzelfde ziekenhuis als mijn vader te werken. We hadden het er nooit veel over, en al helemaal niet iets waar we mee te koop liepen. Het was gewoon geruststellend om te weten dat, te midden van lange dagen vol moeilijke gesprekken en emotionele beslommeringen, iemand die me beter kende dan wie dan ook, ergens in hetzelfde gebouw was.
Mijn vader had bijna dertig jaar in dat ziekenhuis gewerkt. Hij was een verpleegkundige die bekend stond om zijn kalme uitstraling, zijn vaste oordeel en de milde humor waarmee hij bezorgde patiënten en hun families geruststelde. Mensen vertrouwden hem. Nieuwe verpleegkundigen vroegen hem om advies. Artsen respecteerden zijn ervaring. Hij was trots op zijn werk, niet omdat het hem aandacht opleverde, maar omdat het hem in staat stelde op een zinvolle manier voor anderen te zorgen.
Ik werkte in de sociale sector en hielp gezinnen bij het omgaan met diagnoses, papierwerk en beslissingen waar niemand ooit volledig op voorbereid is. Onze rollen waren verschillend en onze roosters kwamen zelden overeen. We planden onze interacties niet. Maar zo nu en dan kruisten onze paden op de gang, meestal tussen vergaderingen door of in een gehaast moment tussen diensten.
Toen dat gebeurde, omhelsden we elkaar.
Het was nooit dramatisch of langdurig. Gewoon een kort, vertrouwd gebaar dat zei: « Ik zie je. Het gaat goed met me. Ga zo door. » Op een plek waar een groot deel van de dag draait om stress en onzekerheid, gaf dat kleine moment van verbondenheid ons beiden houvast.
Jarenlang schonk niemand er aandacht aan.