Tijdens een familiebezoek verwisselde mijn zus mijn babypoeder met bloem als een ‘onschuldige grap’. Nog geen minuut nadat ik het had gebruikt, stopte mijn zes maanden oude baby met ademen. Ik rende naar het ziekenhuis – ik kan me de rit nauwelijks herinneren. Toen mijn ouders aankwamen, vroegen ze niet naar de baby. Ze smeekten me om mijn zus te vergeven. Toen ik weigerde, sloeg mijn vader me. Mijn moeder trok aan mijn haar en smeet me tegen de muur. En mijn baby… lag achter een glazen deur.
Ik herinner me nog precies het moment waarop de wereld op zijn kop stond en mijn leven werd verdeeld in ‘ervoor’ en ‘erna’.
Mijn dochter, Lily, was net zes maanden oud geworden. Ze was op die heerlijke leeftijd waarop alles een ontdekking was: haar eigen tenen, de plafondventilator, het geluid van mijn stem. Haar lach was een kabbelend, perfect geluid dat de vermoeidheid van slapeloze nachten deed verdwijnen. Het was een dinsdagmiddag, zo’n alledaagse, grijze dag waarvan je nooit verwacht dat die het decor van een tragedie zal vormen.
Ik legde Lily op de commode. Ze kirde, trappelde met haar beentjes en vertrouwde me blindelings. Ik pakte het potje babypoeder van het plankje in de babykamer. Het voelde vertrouwd in mijn hand, het gewicht was onveranderd. Ik opende het dopje en strooide een wolkje wit poeder over haar zachte huid, precies zoals ik al honderden keren had gedaan.
Dertig seconden. Dat was alles wat nodig was.
Lily’s ogen werden groot. Het gekir stopte abrupt en werd vervangen door een afschuwelijk, nat snikkend geluid. Haar kleine borstkas bewoog op en neer, vechtend tegen een onzichtbaar gewicht. Haar gezicht kleurde rood, en vervolgens dieppaars.
Ik greep haar vast, de paniek beklemde mijn keel. « Lily? Schatje, adem! Adem voor mama! »