Er klopte iets niet die middag. Geen geluid, geen geur – alleen een spanning die ik niet kon plaatsen. Ik liep langzaam door de gang, mijn zintuigen scherper dan normaal, mijn hart bonzend zonder duidelijke reden. Aan het einde van de gang stond een deur gesloten, zoals altijd. Maar die dag voelde ik me erdoor aangetrokken. Een stille angst had zich in mijn borst genesteld.
Mijn dochter is veertien, en het opvoeden van een tiener betekent vaak leven in een voortdurende spagaat: tussen vertrouwen en zorgen, trots en angst, de wens om te beschermen maar niet te verstikken, de wens om te geloven zonder naïef te zijn.
Ze had al een paar maanden een relatie met Noah, een jongen uit haar klas. Op papier was hij perfect: beleefd, behulpzaam, attent. Er was niets verontrustends aan hem.
En toch.