Het oude houten huis stond al lang leeg voordat Leo geboren werd.
De mensen in de buurt noemden het ‘het kapotte huis’. Ouders waarschuwden hun kinderen om er uit de buurt te blijven. De veranda helde naar voren alsof hij elk moment kon instorten. De ramen waren gebarsten. De luiken hingen scheef, met ontbrekende stukken als gebroken tanden. Als de wind waaide, maakte het huis lage, vermoeide geluiden, alsof het zich betere tijden herinnerde.
Maar nu was het de enige plek die Leo nog had.
De enige plek die nog een beetje rook naar het leven dat hij had verloren.
Stof dwarrelde door de gebroken ramen. Lege blikjes rolden over de vloer als de wind opstak. Een dode klimplant strekte zich uit over de vloerplanken alsof hij het huis bij elkaar probeerde te houden.
En midden in al die stilte lag een klein jongetje opgerold op de koude vloer.
Op blote voeten.
Hij droeg hetzelfde oversized grijze T-shirt en dezelfde versleten korte broek die hij al weken aan had.
Zijn borstkas rees en daalde zachtjes. Zijn ademhaling was oppervlakkig, alsof hij had geleerd geen geluid te maken in een wereld die hem niet opmerkte. Eén arm klemde zich stevig om een leeg blikje, alsof het van onschatbare waarde was. Alsof het zou verdwijnen als hij het losliet.
Leo sliep nooit diep.
Zelfs op driejarige leeftijd sliep hij als iemand die al vroeg angst had leren kennen.
Elk kraakje maakte hem gespannen. Elk vogelgeluid deed hem terugdeinsen. Elke windvlaag deed zijn vingers zich steviger vastgrijpen aan alles wat in de buurt was. Als je eenmaal alles kwijt bent, gaan je handen geloven dat ze kunnen voorkomen dat het nog eens gebeurt.
Hij was niet altijd alleen geweest.
De nacht waarin alles veranderde, bleef in zijn lichaam gegrift staan, ook al begreep zijn geest het niet volledig.
Het begon met hevige regen.
De regen kletterde hard en luid op het dak.
Hij herinnerde zich dat zijn moeder riep: « Leo, schatje, kom hier! » Haar stem trilde, maar ze glimlachte zodat hij niet bang zou worden.
Zijn vader trok dozen naar de deur terwijl de rook zich over de keukenvloer verspreidde. Het vuur was eerst klein, slechts een zachte oranje gloed die langs de muur omhoog kroop.
Leo begreep het niet.
Hij stond daar met zijn favoriete metalen lepel in zijn hand en staarde naar het vuur dat steeds groter werd.
Zijn moeder greep hem bij zijn armen. Haar huid was heet. Haar ogen waren wijd open, maar nog steeds vriendelijk.
‘Blijf in de buurt,’ zei ze.
Toen scheurde het dak.
Een balk brak.
Het vuur schoot omhoog.
Ze duwde Leo richting de achterdeur. Hij viel in de natte modder buiten en probeerde op te staan, terwijl hij naar haar reikte.
Maar ze kwam niet naar buiten.
Zijn vader probeerde haar los te trekken.
Toen stortte het plafond in.
Het geluid was zo hard dat Leo op zijn knieën viel en zijn oren bedekte.
Hij herinnerde zich de schreeuw.
Toen stilte.
Regen vermengd met as in zijn mond.
Daarna… niets meer.
Nee, mam.