10. Bokspringen
Eén speler stond gebukt, de rest sprong eroverheen. Elke ronde werd het moeilijker: handen los, draaien, klappen… tot iemand het niet meer haalde.
11. Blikgooien
Een stapel blikken en een bal waren genoeg. Eerst gooien, daarna zo snel mogelijk de blikken weer opstapelen voordat je werd afgegooid.
12. Tollen
Met een touwtje werd de tol strak opgewonden en met een zwiep op de grond gegooid. Wie ‘m het langst liet draaien of het beste kon sturen, won.
13. Stoepkrijt-spelletjes
Van hinkelbanen tot zelfbedachte spelregels. De stoep was ons canvas en elke regenbui betekende: opnieuw beginnen.