6. Touwtjespringen
Alleen of met twee anderen die het touw draaiden. Soms met rijmpjes of liedjes erbij. Hoe langer je sprong, hoe cooler je was.

7. Annemaria Koekoek
Eén speler stond met de rug naar de rest en riep “Annemaria koekoek!”. Zodra hij of zij zich omdraaide, moest iedereen stokstijf blijven staan. Bewegen = terug naar start.
8. Zakdoekje leggen
Zittend in een kring, terwijl iemand rondliep met een zakdoek. De spanning wanneer je voelde dat iemand achter je stond… en dan ineens rennen!
9. Stand in de mand
Met een bal probeerde je anderen af te gooien. Wie werd geraakt, moest aan de kant wachten. Het veld werd steeds kleiner en het spel steeds fanatieker.